Het is een zomer om niet snel te vergeten. Al weken, wat zeg ik al dik een maand inmiddels, houdt het zonnige, warme weer aan. En ook zaterdag 4 augustus is het ruim 25°C.

Als ik de woonkamer binnenstap van de kleinschalige zorginstelling waar mijn demente cliënt en tevens vriend, Eric, woont hangt er een rustige sfeer. De woonachtige dames – alle drie rolstoel gebonden en in de leeftijd van ouder tot hoogbejaard – zitten rond de salontafel. Een verzorgster is met een van de dames bezig. De enige andere mannelijke bewoner – normaliter altijd vriendelijk en enthousiast als hij mij ziet – zit in zijn pyjama een beetje voor zich uit te staren. Op de eettafel zie ik een bordje met wat stukjes brood belegd met ham, komkommersalade en eiersalade en een beker melk staan. Er is al van gegeten, iemand heeft het duidelijk laten staan. De rest van de tafel is al afgeruimd. Omdat we lopend zijn vandaag en al een flink stuk erop hebben zitten, ga ik rechtstreeks de keuken in om water te pakken voor mijn hondje en onderwijl begroet ik de aanwezigen op vrolijke toon. Als ik de keuken weer uitloop vraag ik aan de verzorgster waar Eric is. Terwijl ik mijn vraag stel, hoor ik hem ergens achterin de woning praten. Wat hij zegt is onverstaanbaar, maar ik herken zijn stem. ‘Dat is zeker Erics lunch die daar nog staat?’ vraag ik daarna aan de verzorging. Ze antwoordt bevestigend. Dan komt Eric vanaf de gang de woonkamer binnen gelopen, op blote voeten en gekleed in alleen een T-shirt en zijn onderbroek. De verzorging kijkt mij enigszins verontschuldigend aan. ‘Heeey Eric!’ zeg ik glimlachend. ‘Wat loop je er sexy bij vandaag! Heb je ’t zo warm dat je in je onderbroek loopt?’ De situaties vooral zo benoemen zoals ze zijn bij demente mensen, dat heb ik inmiddels wel geleerd. Van alles dat er niet is op dat moment hebben ze toch geen of nauwelijks weet meer. ‘Ja’, antwoordt Eric kort en draait zich om en loopt terug de gang op. Ik loop hem rustig achterna, begroet hem nogmaals en loop hand in hand met hem de woonkamer weer in. ‘Heb je trek om te lunchen, Eric? Moet je kijken wat er voor lekkers op tafel staat daar. Volgens mij is dat van jou. Kom, gaan we gezellig aan tafel zitten!’

Eric gaat zitten, pakt een stuk brood van het bordje en steekt het in zijn mond. Mijn dochter zit tegenover hem aan tafel. Zij glimlacht lief naar hem, maar hij reageert niet op haar. Zijn aandacht is bij zijn boterhammetjes. Ik zit aan het hoofd van de tafel vlakbij Eric en help hem een beetje. ‘Wil je wat drinken? Kijk, je hebt melk!’ Ik pak de beker en breng ‘m naar Erics mond, hij tuit zijn lippen om de beker en drinkt een paar slokken. Daarna gaat hij onverstoorbaar weer verder met zijn brood. Stukje voor stukje werkt hij naar binnen. Dan ineens staat hij op en gaat aan de wandel. Inmiddels komt ook een tweede verzorgster de woonkamer binnen gelopen. Zij komt voor de middagmedicatieronde begrijp ik uit hetgeen ze bespreekt met de andere verzorgster. Ondertussen is Eric weer aan tafel komen zitten. Als zij ziet hoe de beide mannelijke bewoners er bij zitten, de een bij de TV in zijn pyjama en de ander aan de eettafel in zijn onderbroek, maakt ze een grappige opmerking. De onderliggende boodschap is echter duidelijk; het is de tijd om aan de kleden. Op haar vriendelijke uitnodiging om mee naar zijn kamer te gaan om wat kleding uit te zoeken reageert de man in pyjama met een resoluut ‘Nee’. Ook de vervolgpogingen om hem aan te sporen zich te gaan aankleden omdat zijn vrouw er ieder moment kan zijn mislukken. Meneer is duidelijk geenszins van plan zijn pyjama te verruilen voor een poloshirt en korte broek. Als beide verzorgsters de gang op zijn naar de kamers van de heren, roep ik de man in pyjama bij zijn naam, ik steek mijn duim in de lucht en knipoog naar hem. Hij glimlacht naar mij en zegt vrolijk ‘Ja, kom zeg, ik heb helemaal geen zin om me aan te kleden.’ Ik reageer begripvol en zeg dat ie groot gelijk heeft en dat zijn vrouw hem al zo vaak in pyjama heeft gezien, dat dat dus niets uitmaakt. ‘Zo is dat!’ zegt hij.

Onderwijl is Eric weer aan de wandel gegaan achter de verzorgsters aan de gang op. Bij een van de rolstoel gebonden dames – de oudste van het gezelschap vermoed ik – hoor ik ineens iets op de vloer plonsen. Verschrikt sta ik op en ga bij haar kijken. Ik vermoed dat zij heeft overgegeven maar gelukkig is alleen haar beker melk vanaf het tafelblad van haar rolstoel op de grond gekiept. Ik lees lichte paniek en schuldbewustzijn in haar ogen. Ik pak haar hand en zeg dat het niet erg is. ‘Ik ben nat. Ik ben nat. Ik ben nat.’ Ze is moeilijk verstaanbaar en blijft maar herhalen wat ze mij duidelijk wil maken. Ik kijk haar liefdevol aan, wrijf over haar tere, oude hand en zeg haar dat ze inderdaad nat is maar dat het niet geeft en weer goed komt. Ondertussen is een van de verzorgsters op het geluid afgekomen en direct begonnen met het boenen van de vloer rond de rolstoel van mevrouw. Door de vorm van dementie die deze mevrouw heeft herhaalt ze continue wat ze zegt, alsof de naald op de plaat blijft hangen. Ik sta voorover gebogen met mijn hoofd vlakbij dat van haar en houd nog steeds haar hand vast. Weer zegt ze iets tegen me en blijft het voortdurend herhalen. Ik doe mijn best haar te begrijpen, maar mede doordat ze geen gebit in heeft is het onverstaanbaar voor me. De blik in haar ogen raakt me diep. Het lijkt een mix van paniek, verdriet en angst. Een gevoel van medelijden komt als een golf over mij heen en tegelijk springen de tranen in mijn ogen. Mijn dochter is inmiddels vlakbij me komen staan. ‘Ze wil dat je bij haar blijft, mam, dat is wat ze tegen je zegt.’ Giada kan haar wel verstaan, wat fijn! ‘Ik blijf bij u, oma Bep!’ beloof ik haar. ‘Mag ik u oma Bep noemen?’ vraag ik haar. Deze mevrouw is rond de negentig weet ik en ook al zie ik haar geregeld als ik bij Eric ben, ze kent mij niet en ik haar niet. ‘Ik ben Bep. Ik ben Bep. Ik ben Bep.’ Ze houdt mijn hand nog steviger vast en geeft er een kus op. Ze kijkt me aan en ik zie dat ook zij nu tranen in haar ogen heeft staan. Die van mij biggelen inmiddels in grote getalen over mijn wangen. Je zal toch zo behept zijn als zij; fysiek zo beperkt en mentaal zo achteruitgaand maar nog zoveel willen vertellen. Wat een sterke wil heeft deze vrouw, en wat lief is ze. Door haar continue verbale herhalen waarbij ze ook met haar rechtervoet krachtig steeds op de steun van haar rolstoel stampt, worden de medebewoners wat onrustig.

De verzorgster besluit mevrouw naar haar kamer te brengen opdat de rust voor haarzelf en de medebewoners weer kan keren. Oma Bep heeft mijn hand nog steeds stevig vast en dus loop ik mee naast haar rolstoel die door de verzorgster geduwd wordt en wurm ik me tegelijk met het stalen gevaarte door de deuropening van de woonkamer naar de gang op weg naar haar kamer.
‘Zal ik de TV voor u aanzetten?’, vraagt de verzorgster. ‘Nee’, antwoordt oma Bep waarop de verzorgster de kamer verlaat. Daar sta ik dan, hand in hand met deze voor mij onbekende hoogbejaarde, demente dame in haar kamer vol persoonlijke spulletjes en foto’s, herinneringen aan haar leven. Ik kijk rond en zie een CD spelertje staan op een kastje. ‘Zal ik de muziek aanzetten?’, vraag ik. Van andere keren dat ik bij Eric was weet ik dat ze graag naar klassieke muziek luistert als ze alleen op haar kamer is. Ik druk op “Play” en enkele seconden later klinken er klassieke tonen uit het kleine apparaat. Oma Bep kijkt me met een vriendelijke blik aan. Ik ga weer bij haar staan en wrijf mijn hand over de hare. Ze brengt mijn hand naar haar mond en geeft er een kus op. Weer kijken we elkaar aan, liefdevolle blikken over en weer. Wat een bijzondere en emotionele ontmoeting is dit.

-Tatiana